Chamerion angustifolium

Verklaring Wetenschappelijke naam

Chamerion is afgeleid van het Griekse Chamai dat "dwerg" betekent en Neros dat "vochtig" betekent. Angustifolium komt van Angusti (Latijn) dat "smal" betekent en Folium (Latijn) dat "blad" betekent. Dit omdat de plant stengelbladeren heeft die op die van een wilg lijken (lang en smal).

Algemeen

Namen in andere talen

  • English: Rosebay Willow-herb 
  • Français: Epilobe en épi
  • Deutsch:  Schmalblättriges Weidenröschen
  • Espanõl:
  • Italiano:
  • Svenska: Mjölke
  • Norsk: Geitrams
  • Dansk Gederams

Verklaring Buitenlandse namen

De Engelse naam is Rosebay Willow-herb. Dit betekent "rosebay wilgkruid". De echte complete verklaring voor Rosebay is onbekend. Het komt wel dichtbij de Nederlandse naam.

De Franse naam is Epilobe en épi. Dit is de Franse benaming voor een wetenschappelijke naam. "Een" want dit een typisch Wilgkruid maar men is er nog niet uit of de plant onder het geslacht Epilobium of Chamerion valt. Je ziet dus steeds een andere benaming.

De Duitse naam is Schmalblättriges Weidenröschen. Dit betekent "smalbladig weideroosje".

De Zweedse naam is Mjölke. Dit betekent "melkopwekkend". De plant werd vroeger aan het vee gegeven zodat het meer melk zou geven.

De Noorse en Deense  zijn aan elkaar verwant en hebben ongeveer dezelfde strekking, Geitrams/Gederams. Ged/Geit betekent "geit". Voor het woord Rams is geen simpele eenduidige verklaring. Het Deense Rams komt wel voor in oude woordenboeken maar is waarschijnlijk ontstaan in het Noors. Misschien betekent het wel "ram". Het totaal lijkt iets logisch want een uitgebloeid Wilgenroosje ziet wit van de zaadpluizen wat wel iets weg heeft van een "geitensik/baard". Alhoewel het Deense woord voor Geitenbaard Gedeskæg is. Dus let wel, dit is geen een op een verklaring.

Ecologie & Verspreiding

Ecologie

Bodem
Zonnige tot half beschaduwde, open plaatsen op matig droge tot vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, stikstofrijke, vaak zwak zure en vaak omgewerkte grond (zand, leem, veen en stenige plaatsen).

Groeiplaats
Bossen (langs bospaden), bosranden, kapvlakten, brandplekken, stormvlakten, struwelen, hakhoutbosjes, houtwallen, langs spoorwegen (spoorbermen), bermen, grasland (grazige plaatsen, grenzend aan bosranden), afgravingen (zandgroeven), braakliggende grond, plantsoenen, steenglooiingen, tussen straatstenen, parkeerterreinen, afbraakterreinen, puinhellingen, waterkanten (rivieren, sloten, kanalen, basaltglooiingen en tussen stenen van beschoeiingen langs vaarten), zeeduinen, ruigten, in knotbomen, drooggevallen mosselbanken, meeuwenkolonies, drooggevallen zandplaten, opgespoten grond, stortterreinen, oude muren, afgebrand rietland en soms in akkers.

Verspreiding

Nederland
Zeer algemeen.

Vlaanderen
Zeer algemeen, maar iets zeldzamer in de Polders. In de twintigste en eenentwintigste eeuw heeft de soort zich sterk uitgebreid.

Wallonië
Zeer algemeen.

Wereld
Koude en gematigde streken op het noordelijk halfrond.

Meer

Zie ook de Nederlandse verklaring

Verspreiding Chamerion angustifolium

FLORON Verspreidingsatlas vaatplanten

Foto's